Presenteren


Als je een onderzoekje hebt gedaan, een werkstuk hebt gemaakt of een boek hebt gelezen, moet je daarover vaak een presentatie houden voor je klasgenoten. Je presenteert nooit je hele werkstuk of onderzoek, maar je selecteert de belangrijkste informatie.

Die informatie presenteer je met een powerpointpresentatie, een prezi of bijvoorbeeld poster.
Je gebruikt tekst, afbeeldingen en/of video's om je verhaal te ondersteunen.
De tekst moet kort en krachtig zijn. Gebruik daarom losse woorden of hele korte zinnen.
Plaats de woorden en zinnen puntsgewijs onder elkaar en druk de tekst zo groot (20-puntsletter) af dat iedereen het kan lezen.
Met afbeeldingen of video's kleed je je presentatie verder aan.
Bedenk: een goede afbeelding zegt meer dan 1000 woorden.

Een presentatie moet je op een logische manier opbouwen.
Je begint met de inleiding: je vertelt het publiek waarover de presentatie gaat.
De dia's in het middenstuk bevatten de informatie die je wilt vertellen.
In de afsluiting of slot vertel je je conclusie en geef je aan welke bronnen je hebt gebruikt.